Vloeren waar betonschade of 'betonrot' in voorkomt, zijn tussen 1965 en 1981 geproduceerd door de firma's Kwaaitaal en Manta. In de jaren zeventig moest heel snel en veel worden gebouwd. Om de productie te verhogen, is calciumchloride toegevoegd aan het beton om de vloeren sneller te laten harden. Door die chloride is de wapening in de vloeren gaan roesten en is de draagkracht van de vloer minder geworden.
Je herkent de Kwaaitaalvloer aan de vorm van de elementen. Vanaf een bepaalde datum zijn polystyreen 'kopschotten' toegepast waarin de tekst 'Kwaaitaalvloer' is geperst. Om misverstanden te voorkomen, moet worden vermeld dat de firma Flevobeton BV vloerelementen op de markt heeft gebracht, die qua vorm en afmeting overeenkomen met de Kwaaitaal vloerelementen. Wanneer de 'gewelfde' vloerelementen aan de onderzijde zijn voorzien van polystyreenschuim als isolatiemateriaal, zijn deze elementen naar alle waarschijnlijkheid vervaardigd door Flevobeton BV. Van deze 'Flevo segmentvloeren' zijn geen schades bekend als gevolg van wapeningcorrosie.
Nadat in een oriënterend onderzoek is vastgesteld dat de vloerelementen schade hebben, dient een nadere inspectie plaats te vinden. De wijze van inspecteren, het inspectieprotocol en het inspectieformulier zijn opgenomen in het CUR-rapport 2000-1 'betonschade Kwaaitaal- en Mantavloerelementen in de woningbouw'.
Kwaaitaal- en Mantavloerelementen zijn toegepast in de periode 1965 tot 1981, dus ja.
Nee, dit hoeft niet. Een oriënterend onderzoek kan antwoord geven op deze vraag.
Niet altijd, afhankelijk van het woningtype kan er een tussenbalk zijn.
Naar verwachting niet.
Controleren door kloppen en plaatselijk weghalen van de isolatie. Achteraf, gezien de problemen met de betonschade, had de vloer beter niet geïsoleerd kunnen worden.
Over circa 5 jaar.
Het CUR-rapport 2000-1 'Betonschade Kwaaitaal- en Mantavloerelementen in de woningbouw', hanteert voor het beoordelen van de omvang van de schade het criterium 'drie of meer beschadigde ribben in een veld van zes naast elkaar gesitueerde ribben'. De betekenis hiervan is als volgt:* Indien meer dan één van zes naast elkaar gelegen ribben een restdraagvermogen heeft van minder dan 30% of geheel is doorgeroest, moet dit vloergedeelte op zeer korte termijn constructief worden hersteld. * Bij drie of meer van zes naast elkaar gesitueerde ribben met classificatie 7-9 (restdraagvermogen 30-60%) is het noodzakelijk dit vloergedeelte op korte termijn te repareren. * Bij ribben met classificatie 4-6 moet rekening worden gehouden met een toename tot classificatie 7-9 en daarmee met de noodzaak tot herstel van deze ribben binnen een termijn van 5-10 jaar. * Voor ribben met een beoordeling in classificatie 1-3 wordt de kans op een constructief onveilige situatie zeer klein geacht.
Een en ander is afhankelijk van de ernst en plaats van de schade en van de overspanning van de vloer.
Het proces gaat door.
De kans dat dit alsnog gebeurt, is zeer klein.
Nee.
Ja, maar bij een goede reparatie zal de vloer in de referentieperiode van 20 jaar daarna, normaal gesproken niet bezwijken. Randvoorwaarde hierbij is vanzelfsprekend een normale gebruiksbelasting en goede omgevingscondities in de kruipruimte. Het verdient in ieder geval aanbeveling om de vloer periodiek te blijven controleren.
Als bedoeld wordt schuimbeton (met een dichtheid van 400-800 kg/m3) dan is dat in bepaalde situaties toepasbaar. Ongewapend schuimbeton kan alleen worden toegepast op een draagkrachtige bodem. Met gewapende en voorgespannen schuimbeton, dat is ontwikkeld voor niet-draagkrachtige bodems, is nog weinig ervaring. De functie van PUR-schuim als preventieve maatregel is net als bij coating het verhinderen van het opnemen van vocht door het beton. Zie voor verdere informatie het CUR-rapport 2000-1 'Betonschade Kwaaitaal- en Mantavloerelementen in de woningbouw'.
De kosten worden in belangrijke mate bepaald door de bereikbaarheid van de onderkant van de vloer en de noodzaak van algeheel of gedeeltelijk herstel. De kosten variëren globaal van € 175,- tot € 355,- per m2.
Bij ernstige en matige schade. Voor het bepalen daarvan wordt geadviseerd het eerder genoemde CUR-rapport 2000-1'Betonschade Kwaaitaal- en Mantavloerelementen in de woningbouw' te raadplegen en vervolgens te kiezen voor een collectieve aanpak.
In dat geval is het moeilijk om schade vast te stellen en in geval van schade herstelwerkzaamheden uit te voeren.
Een betonnen vloer is goedkoper dan een houten vloer. De kosten zijn echter niet eenvoudig aan te geven. Hiervoor dient een offerte te worden aangevraagd.
Nee, voor het herstelwerk geldt meestal een garantietermijn van 10 jaar.
Alleen bij lage chloridepercentages.