Bouwsparen tussen droom en daad

Geplaatst op 01 okt 2014 , bijgewerkt 01 okt 2014, 09:07

Willem Elsschot wist het al: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Dat gevoel bekroop me toen ik me onlangs voorbereid...

Willem Elsschot wist het al: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Dat gevoel bekroop me toen ik me onlangs voorbereidde op een hoorzitting in de Tweede Kamer over bouwsparen.

Bij de koop van een woning speelt bouwsparen vooral in Duitsland een belangrijke rol. Het idee is dat een koopstarter zijn eerste huis koopt uit drie financieringsbronnen:

  • 20-25% is bouwspaargeld dat de koper in een jaar of vijf bij elkaar heeft gespaard, vermeerderd met een overheidsbonus;
  • 20-25% is een bouwspaarlening die in bijvoorbeeld vijf jaar moet worden afgelost;
  • 50-60% is een hypotheek met een looptijd van bijvoorbeeld dertig jaar.

Als de eigenaar een jaar of vijf in zijn woning woont, heeft hij dus nog slechts een schuld die ruim de helft van de aankoopwaarde bedraagt. Een mooi systeem, zou je zeggen.

Om een huis te kopen is sparen sowieso nodig, omdat huizenkopers een steeds kleiner deel van de kosten koper kunnen meefinancieren in de hypotheek. Voor een huis van 200.000 moet een koper nu al 4.000 euro aan eigen geld meenemen (de maximale loan-to-value is 104% tegen een gemiddeld bedrag voor de kosten koper van 6%). Het benodigde eigen geld voor een dergelijke woning op tot 12.000 euro in 2018. Dit is nog exclusief kosten voor verhuizing, stoffering en inrichting. Uit te publiceren onderzoek van Vereniging Eigen Huis blijkt dan ook dat huidige en toekomstige huiseigenaren druk aan het sparen zijn. Ondersteuning door de overheid van dit verantwoorde gedrag kan geen kwaad. Is bouwsparen dan een optie?

Helaas staan er wetten in de weg en praktische bezwaren.

  • Eerst moet onze wetgeving worden aangepast. De bouwspaarlening wordt namelijk gefinancierd uit het bouwspaargeld van nieuwe spaarders. Adequate nieuwe wetgeving moet voorkomen dat dit principe uiteindelijk een piramidespel wordt.
  • Een praktisch bezwaar is dat je, in de jaren dat je aan het sparen bent, wel ergens moet wonen. Dat kan moeilijk tot je veertigste op de zolder bij je ouders. De sociale huursector biedt vaak geen uitkomst, daar zijn lange wachttijden en er is een inkomensgrens. Kom je daardoor bij een corporatie niet op de wachtlijst, dan resteert de vrije huursector, die in Nederland onderontwikkeld en duur is. En dan spaart het niet meer zo lekker als je maandelijks 1.000 of meer aan kale huur kwijt bent.
  • Duitsland kent, in tegenstelling tot ons land, een redelijk stabiele ontwikkeling van de huizenprijzen. Dat is belangrijk, want tegen snel stijgende huizenprijzen valt niet op te sparen. Dan spaar je in feite achteruit. We weten niet hoe de Nederlandse huizenprijzen zich in de toekomst zullen ontwikkelen.
  • De eerste - zeg - tien jaar leidt het bouwspaarsysteem tot hoge woonlasten: vijf jaar sparen naast je huur en vijf jaar versneld terugbetalen van de bouwspaarlening. Dit zijn net de jaren die voor jonge gezinnen met kinderen al erg duur zijn. Dat kan bouwsparen voor sommigen te duur en voor anderen onaantrekkelijk maken.

Het moet toch simpeler kunnen? Ik doe twee suggesties.

  • Heel eenvoudig is een spaarrekening waar de overheid na verloop van tijd een bedrag bijlegt voor de eerste woning. De premie kan worden betaald uit de bespaarde hypotheekrenteaftrek als gevolg van lagere hypotheken. Simpel en doeltreffend.
  • Zo mogelijk nog eenvoudiger is afschaffing van de overdrachtsbelasting van 2%. Dan hoeft de huizenkoper in elk geval geen geld te lenen om de overheid te betalen. Voor een huis van 250.000 euro scheelt dit 5.000 euro.

Ik heb de Tweede Kamer tijdens de hoorzitting daarom stevig aangemoedigd om ook naar mogelijke alternatieven voor het bouwsparen te kijken. Alternatieven waaraan misschien minder wetten en praktische bezwaren in de weg staan.

Volg ons ook op Twitter via @eigenhuis en @rob_mulder